De woningnood in Nederland is geen incident, maar het gevolg van jarenlang beleid waarin marktwerking en decentralisatie centraal stonden. Gemeenten kregen de verantwoordelijkheid, maar niet altijd de middelen. Projectontwikkelaars kregen ruimte, maar niet altijd de opdracht. En burgers kregen wachttijden, tijdelijke huurcontracten en stijgende prijzen.
De Wet versterking regie volkshuisvesting, die nu in de Eerste Kamer ligt, is een poging om die trend te keren. De wet geeft het Rijk meer zeggenschap over waar en hoeveel er gebouwd wordt, en verplicht gemeenten om woonvisies en prestatieafspraken te maken. Dat is geen overbodige centralisatie, maar een noodzakelijke correctie.
Want zonder regie blijven de problemen zich opstapelen:
- Starters kunnen geen woning vinden in hun eigen regio
- Cruciale beroepen (zorg, onderwijs, politie) worden verdrongen uit steden
- Sociale huur wordt afgebouwd terwijl de vraag stijgt
- Projectontwikkelaars bouwen liever luxe dan betaalbaar
De wet biedt ook ruimte voor maatwerk: gemeenten behouden hun rol, maar binnen duidelijke kaders. Er komt meer transparantie over wie waarvoor verantwoordelijk is. En er wordt gestuurd op betaalbaarheid, duurzaamheid en beschikbaarheid — niet alleen op rendement.
Toch zijn er zorgen. Gemeenten vrezen verlies van autonomie. Marktpartijen vrezen vertraging. Maar de vraag is niet óf de overheid moet sturen, maar hóe. Want volkshuisvesting is geen product, maar een publieke voorziening. En regie is geen beperking, maar een voorwaarde voor rechtvaardigheid.
Conclusie: De Wet versterking regie volkshuisvesting is geen wondermiddel, maar wel een noodzakelijke stap. Zonder regie blijft wonen een privilege. Met regie kan het weer een recht worden.
